donderdag 7 mei 2026

De vogel op het nest gevangen

Het onderstaande schreef ik op 29 augustus 2023 in mijn dagboek. Het gaat over wat wij de hooiverkoping noemden (maar wat eigenlijk een hooigrasverkoping was) en over het hooien. In dat laatste deel zit niet zoveel verhaal, maar ik plaats het er toch maar bij. Het laat wel zien hoe ontwikkelingen plaatsvonden. Terwijl er al nieuwe machines waren, werden oude (die bedoeld waren om door een paard getrokken te worden) hier en daar toch nog gebruikt werden. 

Toen ik zocht naar een geschikte foto om daarbij te plaatsen, vond ik er geen. Blijkbaar was er niemand die een foto nam tijdens het hooien. Mijn ouders hadden lange tijd geen fototoestel, dus zo vreemd is dat niet. 

Daarom heb ik maar een foto gekozen waarop mijn vader met de zicht koren aan het maaien is. Zijn jongste zus, tante Gerrie is erbij. Kwam ze hem net koffie brengen?

Mijn vader had een hekel aan het werken met de zicht. Je moest daarbij altijd een beetje krom staan en dat was niet fijn voor je rug. 

Van het koren had je niet alleen het graan, maar ook het stro. Voor zover ik mij herinner, heb ik daar nooit over geschreven. Het stro werd aangevoerd met een grote vrachtwagen, soms helemaal uit Zeeland. Wat ik mij daarvan herinner, zal ik nog wel een keer op papier zetten. 

          
Mijn vader met zijn jongste zus


Verschillende keren ga ik met mijn vader mee naar de hooiverkoping. Het gaat meestal om de uiterwaarden, waar men het gras lang heeft laten groeien. Iemand heeft dan dat grote stuk land verdeeld in percelen. Aan het kopeind (bij de Waal) staan rechte takken in de grond geprikt, met daarin het nummer van het perceel gekerfd, in Romeinse cijfers. Aan de andere kant van het stuk land staan ook zulke stokken. Mijn vader loopt met grote passen langs het grasland, om te meten of alle percelen wel even groot zijn.

Er zijn drie plekken waar hooigras verkocht wordt. Bij Oosterhout ligt De Plaat, de verkoping vindt plaats in Slijk-Ewijk, in het enige café, van Derksen. Er zitten in de voorgevel van het gebouw twee deuren. Als je de linkerdeur pakt, kom je bij de kruidenierswinkel, de rechter voert je naar het café.

De verkoping van het gras van de Andelstse polder is vlak bij ons huis, in café Midden-Betuwe, op de hoek van de Dijkstraat en de Tielsestraat. Ik ben nog klein als ik voor het eerst meega. Pa en ik gaan zitten en iemand komt ons vragen wat we willen drinken. Ik heb geen idee en kijk op naar mijn vader. ‘Zeg maar kasjies’, zegt hij. Dat versta ik tenminste. Ik heb geen idee wat het is. Ik krijg een glas met donkerrode priklimonade.

Ik vind de limonade heerlijk. Zoiets heb ik nog nooit op. Thuis hebben we alleen maar siroop en die smaakt heel anders dan deze limonade. Later zal ik leren dat dit cassis heet.

Ook in Dodewaard is er verkoping, in een gelegenheid die café Zwijnen heet. Er zijn meer onbekende boeren dan in Herveld en Slijk-Ewijk.

Bij de verkoping is een notaris aanwezig en er zijn nog enkele mensen die blijkbaar belangrijk zijn. Ze zitten voor de boeren, als een soort bestuur tegenover de leden. Behalve de boeren zijn de loonwerkers present. Die hopen dat ze een stel percelen mogen maaien. Misschien mogen ze het hooi ook schudden en later op de kits rijden en er balen van persen.

Gért Jansen maakt mooie, stevige balen, maar ze zijn ook altijd erg zwaar. Betalen voor het persen gaat per baal, dus soms is dat aantrekkelijk. Van Boldrik (die vaak gewoon Boldrik of den Boldrik wordt genoemd) maakt lichtere balen, vaak ook wat slapper geperst. Als ik op de middelbare school zit, zal ik meehelpen met hooien. Geef mij dan de lichte baaltjes maar. Tenminste als je het hooi moet opsteken. Als ik moet pakken, de balen op de wagen stapelen, heb ik liever die van Jansen. Daar kun je de vracht gemakkelijk stevig mee houden.

In Dodewaard is Hanhart de loonwerker die de meeste klanten heeft.

Het gras van de percelen wordt bij afslag verkocht. De notaris zegt bijvoorbeeld: 130 staat vast. En dan, in een heel hoog tempo: 29, 28, 27, 26, 25, 24, 23, 22, 21, 120 en dan weer door naar de volgende tien. Je wilt als boer niet te snel roepen, want dat maakt het hooi duur. Het drijft ook de prijs op voor de volgende percelen.

Vaak heeft mijn vader een prijs al in zijn hoofd, bijvoorbeeld 115 gulden. Hij roept dan, als het bedrag genoemd wordt, heel hard ‘Mijn!’ en steekt meteen zijn vinger op. De boeren roepen hard. Het komt wel voor dat enkele boeren tegelijk roepen en dan wil je er zeker van zijn dat jij gehoord wordt.

Niet elke boer is er even gehaaid in. Een verhaal gaat over een boer die langzaam zijn hand naar boven bewoog als hij wilde gaan roepen. Hij was altijd te laat, omdat iemand hem net voor was. Je moet goed op lichaamstaal letten. Sommige boeren gaan rechtop zitten of buigen zich naar voren als ze een perceel willen afmijnen.

Mijn vader laat zich niet gek maken door de prijzen. Hij heeft het grasland goed geïnspecteerd. Zitten er geen plekken in een perceel waar het gras wat dunner is? Pa maakt een schatting van het aantal balen dat van een perceel kan komen en daar is hij goed in.

Hij kan ook het gewicht van een varken heel goed schatten. Soms doet hij een soort wedstrijdje met de slager die wel eens een ‘keutje’ van hem koopt. Ze zeggen dan allebei hoe zwaar het varken is. ‘Vuil gewicht? Nee, schoon aan de haak’. De slager heeft er oog voor, maar vaak wint mijn vader.

Het meest zie ik mijn vader glunderen als hij iedereen te snel af is. Samen met hem heb ik door het grasland gelopen. Mijn vader constateert dat het laatste perceel wel anderhalf keer zo groot is als de andere percelen. De notaris begint bij elk perceel met ‘150 staat vast’. Veel percelen worden verkocht voor tussen de 120 en 135 gulden. Hier en daar doet mijn vader mee. Misschien heeft hij al een of twee percelen gekocht.

Dan is het laatste perceel aan de beurt. ‘150 staat vast,’ zegt de notaris. ‘Mijn!’ roept mijn vader meteen, nog voor de notaris begonnen is met het aftellen. Iedereen kijkt naar mijn vader en de notaris kijkt naar Zwijnen, naast hem. Dat is niet de Zwijnen van het café, maar de vader van mijn vriendje Gerard, Joekie Bil. Die vertelt hem dat het laatste perceel een ietsje groter is. Mijn vader weet dat het anderhalf keer zo groot is en dat hij een koopje heeft.

De andere boeren vinden het een prachtige zet van mijn vader. Ze lachen en zeggen dat hij de vogel op het nest heeft gevangen. Mijn vader glundert. Ik vind mijn vader een held.

Als ik klein ben, kan ik nog niet zo veel doen bij het hooien. Als de hooibalen op de wagen worden geladen, kan ik ze wel ‘aanrollen’. Dan hoeven degenen die het hooi moeten opsteken niet zo ver te lopen.

Als ik iets groter ben, hoogste klassen van de lagere school, ga ik wel mee hooi schudden, bijvoorbeeld in de wei achter ons huis. Iemand (wie?) heeft het gemaaid en het gras ligt netjes in zwadden, rijtjes. Als de bovenkant gedroogd is, gaan pa en ik het keren, met de hooivork, de gavel. Zwad voor zwad, of twee zwadden tegelijk. Het duurt een hele tijd voordat je op die manier al het hooi hebt gekeerd.

Bij ome Wout achter het huis staat nog een vorkjesschudder, waarvoor vroeger een paard werd gespannen. Nu kan er een trekker voor. Maar een enkele keer heb ik gezien dat die schudder gebruikt wordt. Je mag er niet te hard mee rijden. Als zo’n vorkje in de grond prikt kan er een tand breken.
vorkjesschudder

Al gauw komt er een nieuwe manier van schudden: met de trommelschudder. Daar kun je heel snel een groot stuk hooigras mee schudden. Al gauw blijkt ook het nadeel. Het hooi wordt gebroken. Dat is niet erg als je maar een keer moet schudden, maar als je tussendoor regen krijgt, moet je vaak schudden. Het is een dorskast, zegt Thé Lijbers, met wie mijn vader vaak praat na het melken. Hij slaat het hooi kort en klein en je krijgt er veel stof van.

Maar dan is er alweer een nieuwe schudder: een Strela, met twee horizontale cirkels met tanden daaraan. Dat wordt al gauw de schudder.

Voordat het hooi geperst wordt, moet het op de kits. Wij hebben thuis een harkmachine. Ook die hing vroeger achter een paard. Nu kan hij achter de trekker, maar dan moet er nog steeds iemand op het ijzeren zadel van het harkmachien zitten.

Van tijd tot tijd haal je de tanden van de hark omhoog en meteen daarna moet het geheel weer naar beneden. Er blijft een soort grote drol van hooi liggen. De volgende keer, bij de baan ernaast, moet je het machien op hetzelfde moment omhoog halen als de vorige keer, anders krijg je geen rechte kits. Dat is nog lastig genoeg.

harkmachine
Bijna niemand heeft nog een harkmachien. Kitsen gaat vaak met de acrobaat: een wonderlijk apparaat met vier grote ijzeren wielen na elkaar. Nou ja, geen echte wielen. Ze zijn rond, maar het zijn alleen de spaken, niet de band. Eigenlijk zijn het harken in wielvorm. Sommige loonwerkers kunnen daar heel handig mee omgaan. Je kunt ook kitsen met de trommelschudder, als je een soort schermen achter aan de schudder bevestigt. Dan kan het hooi er alleen in het midden uit.

Een enkele maal laat mijn vader het hooi helemaal niet persen. Meestal bij een klein weitje. Hij zet het hooi dan op ‘uppers’, hopen. Die uppers worden dan weer op de wagen geladen. Mijn vader leert me hoe dat moet. Eerst de hoeken opzetten, dan de rest van de rand, dan pas het midden. Ik weet bijna zeker dat weinig jongens van mijn leeftijd dat geleerd hebben en ik weet nu hoe het moet.

acrobaat
Uppers zie je nog wel geregeld staan. Alleen mijn ome Kors doet het anders. Hij komt oorspronkelijk uit Spankeren en daar zullen ze wel andere gebruiken hebben. Hij heeft ook nog een paard voor zijn wagen. Ome Kors zet het hooi op ruiters: Dat zijn houten stellages van drie balken die als een tentje worden opgezet. Met drie dwarsbalken wordt alles bij elkaar gehouden. Als kinderen kruipen we wel eens in zo’n ruiter als er hooi op ligt. Je kunt in het midden wel een holletje maken. Dat mag eigenlijk niet.

Op een ruiter is het hooi van de grond. Dan kan het nog een beetje nadrogen. Ome Kors heeft ook kuilgras. Dat hebben wel meer boeren. Later noemen we dat een natte kuil: het gras wordt meteen na het maaien ingekuild. Als ik groter ben, wordt het gebruikelijk om het gras eerst wat te laten drogen. Dan is er ook een ‘opraapwagen’ waarmee het gedroogde gras verzameld wordt. Het is dan bijna hooi, als het ingekuild wordt.

Ome Kors doet het anders dan de andere boeren met een natte kuil. Hij doet het gras in betonnen silo’s. Hoe ze dat er weer uithalen, weet ik niet. Boeren die kuilgras voeren, kun je altijd ruiken. De geur van kuilvoer trekt overal in. Ik vind het geen fijne geur.

Als de hooibalen op de wagen geladen zijn, moet de vracht nog gebonden worden. De pakker staat altijd op de vracht, de touwen gaan er kruiselings overheen. De pakker trekt het touw omhoog en laat het weer schieten. De man die moet binden, trekt het touw meteen aan.

Dan moet de vracht nog naar huis. Als ik wat groter ben, mag ik boven op de vracht zitten als we naar huis rijden. Ik ga ook wel op mijn rug liggen, zodat ik naar boven kan kijken. Je ziet dan de wolken voorbijgaan en de takken van de bomen. Als de vracht erg hoog is, moet je oppassen, want dan schrapen de takken soms over de vracht.

Midden op de vracht is er een sluitrij van balen en als je je daar strak tegenaan drukt, gaat het altijd wel goed. Het blijft een avontuur. Boven op zo’n wagen voel ik me een koning, die door de straten gereden wordt. Er zijn maar weinig dingen die nog mooier zijn.

woensdag 6 mei 2026

Overgave op commando (Nadia de Vries)

 
Schelvis groeit op aan de kust, in een dorp van tweeduizend zielen. Nou ja, in de zomer zijn er vijfhonderd extra. 'Deze mensen bezaten een huisje op ons strand, ze beschikten over dure honden en vakantiedagen.' Zo is er een 'wij' en een 'zij', de dorpelingen en de toeristen. 

Dat is de setting in het eerste deel van de kleine roman Overgave op commando van Nadia de Vries. Veel mensen in het dorp werken in de staalfabriek, of in een van de plaatselijke distributiecentra. 

Het is geen lieflijke wereld waarin Schelvis opgroeit. 
We groeiden op met episodes van banaal geweld. Dan vloog er weer een vaas tegen de wand, of veranderde een vuist een meubelstuk in schroothout. 

Niet onbeschadigd blijven

Wat doet dat met iemand die in zo'n omgeving opgroeit? Die leert dat de wereld hard is, dat succes niet verzekerd is, dat het leven niet maakbaar is. De dorpskinderen reageren anders dan de stadskinderen die moeten huilen als een golf een zandkasteel overspoelt. 

Maar wij, de kinderen die aan het strand geboren waren, wisten beter en huilden nooit. Wij accepteerden dat de grote golf soms voor onze toren kwam. Dat we niet onbeschadigd zouden blijven. We verzorgden onze knieschijven niet wanneer we vielen en begonnen jong met roken, om alvast aan het verval te wennen. Tegen de tijd dat we vijftien waren, waren we oud en wijs, en zij die dat niet waren, waren overleden. 

Schelvis gaat naar een speciale school en trekt later op met een vriendengroep: Jeremy, Duncan en Celine. Het doet een beetje denken aan  het kleine groepje leeftijdsgenoten in Het smelt van Lize Spit en het groepje jongeren in Wij van Elvis Peeters. Ook deze jongeren gaan over grenzen en ook over elkaars grenzen, op een gewelddadige manier. 

Dat gebeurt ook in Overgave op commando. Schelvis probeert bij Jeremy in de gunst te komen en gedraagt zich zo dat die hopelijk door Jeremy gezien wordt. Dat zal zich uiteindelijk tegen Schelvis keren. 

Schelvis probeert erg bij de groep te horen en dat lukt niet. Als het fout gelopen is:
Ik zag niets en ik hoorde niets. Al kruipend bedacht ik dat er geen 'wij' meer was waarop ik aanspraak kon maken. Vanaf nu was ik alleen, echt alleen, en de zwelger in mij vond dat zowel begeerlijk als tragisch. 
Schelvis verzet zich niet tegen het lot, maar aanvaardt het als een gegeven. Zonder veel illusies lijkt het en toch is Schelvis iemand die niet opgeeft, maar doorgaat. Schelvis verlaat het dorp en gaat naar de stad, niet wetend of die zich daar kan redden. 

De hemel en de zee


Overgave op commando is verdeeld in twee delen: I 'Aan mijn voeten, de zee' en II 'Boven mijn hoofd, de oneindigheid'. Aan het eind van het eerste deel ontmoet Schelvis op een duintop een man die Schelvis door een telescoop laat kijken. 

Waar ik ook keek, door het kijkgat of erbuiten, ik werd omringd door kolossale dingen. De hemel en de zee: ze konden me wel degelijk opslokken, als ze daar zin in hadden, ze konden me alles laten doen wat ze wilden. In het grote plaatje van alles was ik piepklein, vrijwel niets. Ik kon er niet aan ontsnappen. 

Dat is voor mij ontroerend aan Schelvis: klein zijn, besef hebben van de kleinheid en de machteloosheid, maar wel gewoon doorgaan en er het beste van maken. Zoals alle dorpelingen misschien wel doen. 

In de stad

Ook in de stad heeft Schelvis het niet gemakkelijk. Onderdak blijkt alleen te verkrijgen bij een oudere man die er wel wat voor terugverlangt, maar ook dat ondergaat Schelvis. Er volgt een baantje op een terras waar Schelvis wel de grens trekt en uiteindelijk komt onze held terecht in een woongroep, waar men strikte opvattingen heeft. Als duidelijk wordt dat Schelvis schoonmaakwerkzaamheden in een slachterij verricht, voltrekt zich iets soortgelijks als met de vriendengroep in de slachterij. Schelvis moet het maar ondergaan: overgave op commando. 

Ik gebruikte net het woord 'held'. Dat komt in zo'n beetje elke hoofdstuktitel van deze roman voor. Een voorbeeld: 

Onze held leert de charme van levensgevaar. Romantiseert het niet. Verandert wel voorgoed. 

Het doet me, behalve aan het begin van De avonden van Gerard Reve natuurlijk, denken aan wat er boven hoofdstukken in romans uit de negentiende eeuw staat als aanduiding van de inhoud. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij  Ferdinand Huyck van Jacob van Lennep. Ook hier een voorbeeld:

Waarin onze held voor de tweede reis op denzelfden dag gevaar loopt van zijn hart te verliezen.

Kijk, dat ben ik!

Ik kan dat 'held' (net als bij Reve) niet anders dan ironisch lezen. Je kunt niet eens zeggen dat Schelvis zich redt, maar ook niet dat die eronderdoor gaat. Het boek eindigt met een werkelijke schelvis in welks oog Schelvis zichzelf weerspiegeld ziet.

In het oog van de dode vis zag ik mijzelf weerspiegeld. Mijn wang was grotesk, mijn gezicht was onmenselijk. In het vlies van het oog glinsterde ik. Ik was onmiskenbaar en groot. En ik dacht: Kijk, dat ben ik!

Dat cursief gedrukte 'Kijk, dat ben ik!' heeft toch de indruk van een overwinning of op zijn minst van zelfbewustzijn. Niet meer de neiging om zich te conformeren aan de omgeving, om ergens bij te horen, maar het besef zelf iemand te zijn. 

Overgave op commando is een bevreemdend boek. Het verhaal heeft realistische kanten, maar het vergroot ook dingen uit, vertekent ze, zodat de getekende wereld ook iets onwerkelijks heeft. Bij mij riep dat associaties op met televisieseries van Dennis Potter als Pennies from heaven en Lipstick on you collar

Dat Schelvis alles maar lijkt te accepteren wat er gebeurt, zorgt ervoor dat de lezer dat ook maar moet doen en dat die daardoor bevreemd naar zichzelf kijkt: accepteer dat zomaar, een wereld waarin mensen zo over elkaars grenzen gaan? Blijkbaar. 

Fijn pennetje

Het is een intrigerend boek, geschreven met een fijn pennetje. Tijdens het lezen geniet je niet alleen van het verhaal, maar ook van hoe het verteld wordt en steeds zijn er zinnen die oplichten. Een enkel voorbeeld:

Haar g was zo hard dat je er een brood mee kon snijden. 

Genieten van het verhaal is misschien niet goed gezegd, omdat er ook veel verteld wordt dat in een andere vorm eerder afschuw opgeroepen zou hebben. En toch kan ik niet anders zeggen dan dat ik genoten heb van Overgave op commando. Het werk van Nadia de Vries moet ik maar eens in de gaten houden. 

dinsdag 5 mei 2026

De glazen kroon 2: Rozebeke, doodse vlakte (Richemond / Benato / Poupelin)

In sommige gedeelten van de geschiedenis raak ik keer op keer verdwaald en dan moet ik even nakijken hoe het zit. Dat geldt ook voor het tijdperk waarin de stripreeks De glazen kroon zich afspeelt. Wellicht is het leven van Karel VI van Frankrijk (1368 - 1422) voor een Frans (of zelfs Vlaams) lezerspubliek gesneden koek, maar ik moet steeds weer moeite doen om de zaken op een rijtje te krijgen. 

In de strip wordt er inspanning genoeg geleverd om aan de lezers de situatie duidelijk te maken. Op de binnenkant van de cover staan de belangrijkste personages getekend, er is een samenvatting van wat er aan het verhaal voorafging en er is een nawoord van de scenarioschrijfster, waarin duidelijk wordt dat zij haar bronnen goed kent en die verantwoord gebruikt.

Karel VI is de zoon van Karel V (1338 - 1380), bijgenaamd de Wijze (niet te verwarren met de veel later levende kiezer Karel V, die hier in Nederland bekender is). Toen Karel V stierf, was zijn zoon nog maar 12 jaar oud en dus te jong om zijn vader zelfstandig op te volgen. De eerste acht jaar werd hij daarom bijgestaan door een Regentschapsraad, waarin drie broers van zijn vader zitting hadden: de hertogen Lodewijk I van Anjou, Jan van Berry en Filips de Stoute, hertog van Bourgondië. Ze waren echter vooral op eigen voordeel uit. 

De kroon van Karel VI wordt een glazen kroon genoemd. In de strip zegt zijn vader: 'Vergeet nooit dat de kroon broos is, ze kan breken, net als glas.' De ironie wil dat Karel later de waan zal krijgen dat zijn lichaam van glas is. Daaraan dankt hij zijn bijnaam 'de waanzinnige'. Dat zal voor zijn ooms weer een aanleiding zijn om meer macht naar zich toe te trekken. 

Slag bij Westrozebeke

In deel 2 van de stripreeks, Rozebeke, doodse vlakte, is dat allemaal nog niet aan de hand. Er is wel veel onrust. Zo is er opstand in Vlaamse steden. De vorst, Lodewijk van Male moet daardoor de hulp inroepen van Karel VI. Diens oom, Filips de Stoute, is gehuwd met een dochter van Lodewijk, Margaretha van Male. Maar er is ook een belang voor Karel: als de steden niet onder controle van de vorst komen, zal dat kunnen leiden tot opstand in meer steden. 

Ook in Engeland is er opstand geweest, tegen de jonge vorst Richard II, die slechts tien jaar oud was toen hij de troon besteeg. Er wordt overigens gevreesd dat de Vlaamse steden Engeland om hulp zullen vragen. 

Karel VI trekt naar Vlaanderen. Uiteindelijk loopt dat uit op de slag bij Westrozebeke (1382), die in het Frans en het Engels de Slag bij Rozebeke (Rosebecque) wordt genoemd. Als het je interesseert en als je een levendig beeld van de betreffende slag wilt krijgen, kun je aflevering 8 van de podcast Stoute schoenen beluisteren, waarin Bart van Loo er levendig over vertelt, vanuit Vlaams perspectief.

Hij geeft daarin wel een goed beeld van het verloop van de strijd en hij maakt een vergelijking met The Battle of the Bastards uit The game of Thrones.

Visioen

Voor op het album zien we het slagveld na de slag: het land ligt bezaaid met lijken, er komt een stroom bloed naar ons toe en in de verte staat een hert. Dat hert heeft te maken met een visioen van Karel VI: hij ziet een gevleugeld hert en dat is voor hem het teken dat hij de Vlamingen zal verslaan. Dat visioen is getekend in het hart van het album, waar er een spread aan gewijd is. 

De slag wordt gewonnen door Karel VI en daarna wordt er door zijn leger geplunderd en gemoord. Zo worden de gouden sporen, die buitgemaakt zijn in de Guldensporenslag (1302) bij Kortrijk geroofd en Kortrijk wordt in brand gestoken. Westrozebeke wordt trouwens gespaard. 

Net als in deel 1 (zie link hieronder) zit er weer veel geschiedenis in dit tweede deel van De glazen kroon. Scenarioschrijfster France Richemond heeft zich terdege in de stof verdiept en zij heeft haar best gedaan er een verhaal van te maken. Door Karel VI en de jonge mensen in zijn omgeving als belangrijke personen te kiezen maakt zij het ook gemakkelijk voor de lezer om zich te identificeren met de personages. Omdat de situatie ingewikkeld is, is er redelijk wat tekst nodig om alles duidelijk te maken. Dat vergt wel wat van de lezer, maar de stof is zeker interessant. Mij gaf het aanleiding om nog meer informatie te zoeken over deze boeiende tijd. 

De tekeningen van Tommaso Bennato zijn uitstekend. Ze zetten de heftige gebeurtenissen niet extra dik aan en dat is een goede keuze. Daarbij helpt ook de fraaie inkleuring door Hugo Poupelin

Deel 3 van De glazen kroon is in voorbereiding. 

Reeks: De glazen kroon
Deel 2: Rozebeke, Doodse vlakte
Scenario: France Richemond
Tekeningen: Tommaso Bennato
Inkleuring: Hugo Poupelin
Vertaling: Frederik van Wonterghem
Uitgever: Silvester Strips
2025, 56 blz. € 10,95 (softcover) € 21,95 (hardcover)


maandag 4 mei 2026

De wonderen (Jeroen Olyslaegers)

Voordat ik begon aan De wonderen las ik twee andere boeken van Jeroen Olyslaegers, Wil en Wildevrouw (links naar de besprekingen: zie onderaan). Het zijn romans waarin je helemaal ondergedompeld wordt. De eerste gaat over een politieman die goed de Tweede Wereldoorlog probeert door te komen, maar dat lukt hem niet zonder vuile handen te maken. Wildevrouw speelt zich af in een compleet andere tijd, de Beeldenstorm in Antwerpen en de tijd daarna. 

In De wonderen neemt Olyslaegers de lezer mee naar weer een ander tijd. In het heden van het verhaal is het 1915. De vertelster, Amandine, verpleegt haar tweelingbroer Ambrose, in Edegem, een plaatsje onder Antwerpen. Haar zoon Louis, bevindt zich aan het front, in de loopgraven. In de roman lezen we wat daaraan voorafging. 

Tante Bella

Amandine en Ambrose worden geboren in 1868. Ze krijgen als kind een bijzondere band met tante Bella, een halfzus van hun vader. 

'De wonderen, daar zijn mijn wonderen!' riep tante Bella. 

Tante Bella noemt hen 'de wonderen'. Amandine vraagt zich zelfs af of tante Bella niet meer haar moeder is dan haar echte moeder. Bella weet veel af van kruiden en hun werking, een interesse die ze wil overbrengen op Amandine. 

Na de dood van tante heeft Amandine soms het idee dat tante Bella spreekt door haar tijdens spiritistische seances. Tante had een enorme vrijheidsdrang en voelt zich daarin verbonden met vrouwen die in het verleden als heksen zijn vervolgd. Ook Amandine heeft deze levenshouding. 

Ze komt uit een bankiersfamilie met strenge regels en belandt in een gearrangeerd huwelijk met Robert de Rubigny, die gaat samenwerken met haar vader. Ze krijgen een zoon, Louis, en aan Amandine wordt door een arts gesuggereerd dat ze daarna onvruchtbaar geworden is. 

Als kind ziet Louis af en toe een witte vrouw, die er in werkelijkheid niet is. Deze aanwezigheid zou tante Bella kunnen zijn. Het laat zien hoe nauw de band is tussen de Amandine en Louis. Later worden ze uit elkaar gedreven door Amandines moeder. 

Amandine en Ambrose staan dicht bij elkaar, maar Amandine zoekt haar vrijheid vitaler dan haar broer die op een manier leeft die zelfdestructief is. Hij gaat zich te buiten aan drank (ook absint) en orgieën, is lid van een geheim genootschap en moet ten slotte uitwijken naar Congo. Haar man Robert maakt daar fortuin met rubberplantages. 

Ganieda

Bij de geboorte van Amandine en Ambrose heeft Tante Bella een boek cadeau gegeven over Ganieda, de zus van Merlijn. In Vita Merlini van Geoffrey Monmouth wordt Merlinus na een gruwelijke veldslag krankzinnig en vlucht om in het Caledonische woud als wildeman te leven. Je zou kunnen zeggen dat Ambrose eenzelfde tocht heeft gemaakt. 

Ambrose vertelt het verhaal dat Ganieda haar minnaar stuurt om Merlijn terug te halen uit het bos. Iets soortgelijks gebeurt als Amandine haar man ervan overtuigt om gebruik te maken van de diensten van haar minnaar, de journalist Hippolyte van Damme. Daarna weet Robert hoe de vork in de steel zit en dat zal Amandine terugbetaald krijgen.

Amandine en Ambrose staan vaak aan dezelfde kant, al zitten ze niet steeds op dezelfde lijn. Zo voelen ze zich ook door elkaar verraden. Toch zal dat de band niet volledig doorsnijden. Aan het eind van Ambroses leven, wordt hij door Amandine verpleegd. 

De wonderen is, net als Olyslaegers' vorige romans, een boek dat je meeneemt naar een tijdperk in het verleden en je laat overspoelen door wat er dan allemaal gebeurt. Je maakt kennis met spraakmakende mensen uit die tijd, van Emile Verhaeren tot Frederik van Eeden. Amandine maakt van deze laatste een lezing mee, waarin die vertelt dat er wonderlijkheden zijn waar de wetenschap geen raad mee weet. 

Vrijheid, blijf spoken

Verder gaat het over kolonialisme en over de rechten van de vrouw. Amandine moet steeds haar plaats bevechten. Omdat ze vrouw is, maar ook vanwege de beperkingen die haar omgeving haar oplegt. Zij is de heldin van deze roman, die opgebouwd is als een tragedie in vijf bedrijven. Die dragen de naam van kruiden: Rozemarijn, Alsem, Rode klaver, Salie en Monnikskap. Dat laatste is een van de giftigste planten. Amanda zal er aan het eind van het boek gebruik van maken. Haar laatste woorden in het boek zijn: 'vrijheid, blijf spoken'. 

Of ik helemaal grip heb gekregen op De wonderen, betwijfel ik. Doordat mijn schrijven achterloopt op mijn lezen zijn details misschien wat weggezakt en dat maakt het ook lastiger. Maar ik vind het wel een krachtig boek, dat ik met plezier gelezen heb. Die kracht zit in de hoofdpersoon, maar ook in de taal, die bij Olyslaegers altijd in goede handen is. 

Een voorbeeld daarvan. Amanda huilt paniekerig. 

Moeder wreef over mijn schouders zoals iemand na een sneeuwbui de hond van een ander droog wrijft om de parketvloer te behoeden voor smurrie. 

Dat vind ik een schitterende vergelijking. Het kind wordt vergeleken met een hond en dan ook nog de hond van iemand anders. Die wordt wel drooggewreven, maar niet vanwege de hond, maar vanwege de vloer. Het laat de verhouding tussen moeder en dochter haarscherp zien. 

Voor De wonderen moet je wel een beetje moeite doen, maar je krijgt er wel een prachtige leeservaring voor terug. 

Eerder schreef ik over andere boeken van Jeroen Olyslaegers:

vrijdag 1 mei 2026

Ghostmoney 3: Sterven in Dubai (Smolderen/Bertail)


In november 2025 schreef ik over de eerste twee delen van de stripreeks Ghostmoney, die tegelijk in het Nederlands verschenen. Je vindt die bijdrage hier. Het was een goede keuze van uitgeverij Arboris om meteen twee delen op de markt te brengen: het verhaal zit redelijk ingewikkeld in elkaar en dan heb je even tijd nodig om de verhoudingen tussen de groepen goed tot je door te laten dringen. 

Dat geldt ook voor de jonge vrouw Lindsey, die in het eerste deel bij toeval terechtkwam in het leven van de schatrijke Chamza. Rond Chamza is er van alles aan de hand. In het tweede deel bleek dat haar tegenstanders haar zelfs in de gaten kunnen houden via haar ogen, die voor hen als een camera fungeren. Wat Chamza nu precies weet en welke rol ze speelt, blijft en beetje in nevelen gehuld voor Lindsey en eigenlijk ook voor de lezer, al worden er wel aanwijzingen gegeven. 

Wat vooraf ging

Voor wie het verhaal van de reeks niet meer zo helder heeft is voor in het derde deel een korte samenvatting opgenomen van wat voorafging en dat is een mooie service. Het speelt zich allemaal af na de aanslag op de Twin Towers. Er wordt verondersteld dat er een schat van Al Qaida is, een gigantisch bedrag. Degene die erover beschikt kan wereldwijd grote dingen veroorzaken. Twintig jaar na de aanslag zijn er verschillende partijen naar op jacht, onder wie Kendricks, die in 2005 de bankier van Al Qaida heeft ondervraagd in opdracht van de CIA. De groep van Kendricks houdt Chamza in de gaten. 

Chamza blijkt de dochter van de president van Tashkitië te zijn en haar vriend wordt de Emir van het Licht genoemd. Hij wordt verdacht van terroristsiche aanslagen en wordt opgejaagd in Afghanistan. Hij spreekt met Chamza af in Dubai. Verder is er nog een koffer van Chamza's moeder en het is de vraag wat die bevat. In dit wespennest komt Lindsey terecht. 

Aanslag in Dubai

Het derde deel heet Sterven in Dubai en dat gevaar loopt Lindsey inderdaad. Er is namelijk een enorme aanslag gepland, waarvan ze bijna het slachtoffer wordt. Gelukkig heeft ze iemand bij zich die haar kan beschermen. Het levert in de strip spectaculaire beelden op. Maar het feit dat zoiets kan gebeuren in het verhaal is op zich al belangrijk. 

Al in de vorige delen bleek dat de scenarist, Thierry Smolderen, lekker veel vrijheid genomen heeft en dat hij zich niet heeft laten beperken door wat er waarschijnlijk is. Technisch blijkt er in de wereld van Ghostmoney zo'n beetje alles mogelijk te zijn (wat al blijkt uit de operatie die Chamza in het tweede deel onderging) en dat heeft tot gevolg dat de lezer steeds verrast wordt, omdat zaken nog extremer zijn dat zij of hij al gedacht had. 

Dat is een van de aantrekkelijke kanten van deze strip: het verhaal vraagt om de grenzen van je fantasie op te rekken en mee te gaan in een verhaal dat van een afstand bezien misschien over de top lijkt, maar als je erin zit, accepteer je het moeiteloos. 

Aan de hand van Lindsey

Mensen gaan tot het uiterste, en verder, voor het bereiken van hun doel en ze zijn daarin meedogenloos. Ook dat is de wereld van Ghostmoney. Om dat te accepteren hoeft de lezer niet over morele grenzen heen, omdat die zich kan identificeren met Lindsey, die net als de lezer overrompeld wordt door wat er gebeurt en die, net als de lezer, haar twijfels heeft Zij maakt het verhaal verteerbaar en aan haar hand worden wij meegevoerd. 

Waar dat allemaal op uitdraait, zal duidelijk worden in deel 4 en 5. Wie drie delen gelezen heeft, zit intussen zo ver in de wereld van Ghostmoney dat hij er niet meer uit wil, voordat hij weet hoe het nu allemaal zit. 

De tekeningen Dominique Bertail maken een ingetogen indruk. De heftigheid van sommige scènes wordt vooral opgeroepen door de grootte van de letters die de geluiden moeten weergeven. Ook in de inkleuring houdt Bertail zich ver van het effectbejag en dat blijkt goed te werken. Achter in het album zijn als extraatje vier paginagrote tekeningen opgenomen. 

Reeks: Ghostmoney
Deel 3: Sterven in Dubay
Scenario: Thierry Smolderen
Tekeningen: Dominique Bertail
Vertaling Hans van den Boom
Uitgever: Arboris
2025, 64 blz. € 11.95 (softcover), € 21,95 (hardcover)





donderdag 30 april 2026

Dit zijn onze plaatsen, dames!

Het dagboekfragment hieronder noteerde ik op dinsdag 14 november 2023. Het laat goed zien met hoe weinig plan het geschreven is: ik begin met een herinnering aan de kapper, stap over op herinneringen aan kerk en geloof en eindig met het beschrijven van de rollen snoep die in kerk langskwamen. Ook nu weer -ik zeg het er toch elke keer maar weer bij -  houdt het fragment zomaar op. 

Hieronder een foto van opa en opoe Loenen, de ouders van mijn vader. Ik denk dat de foto genomen is op de huwelijksdag van mijn ouders. Mijn andere oma, de moeder van mijn moeder, kun je net nog zien. Die mag hierna blijkbaar met opa op de foto. 

Deze foto is wat raar afgesneden. Er zal nog best een stukje aan de bovenkant gezeten hebben, maar ik had indertijd een eigenzinnige scanner. Als ik dan een bladzijde van een fotoalbum scande, maakte die er zelf afzonderlijke afbeeldingen van. Zo zal het gegaan zijn. Denk ik.


Soms mag ik met mijn vader mee naar de kapper. Voor we gaan, geeft mijn vader mijn moeder een kus. Dat zal hij nooit overslaan als hij het huis uit gaat. Ik stap bij hem voor in de Volkswagenbus. We gaan naar kapper Daams, in de Hoofdstraat. Ik word eerst geknipt en daarna mijn vader.


Ik mag in een hoge stoel zitten en krijg een soort cape om, die strak om mijn nek zit. Ik kijk in de spiegel terwijl Daams met mijn vader praat. Het ruikt lekker bij de kapper. Als het klaar is, pakt hij een fles met een verstuiver. Er zit een oranje rubberen bal met een slang aan bevestigd. Hij nevelt daarmee een soort reukwater over me heen.
 
Na afloop klim ik weer van de stoel af. Daams veegt de haren bij elkaar. In de hoek van de zaak zit er een vierkant putje in de vloer, met een deksel erop. Hij haalt het deksel eraf en veegt de haren in het putje. Wat zouden ze met die haren doen? Dan is mijn vader aan de beurt.
 
Later zal mijn moeder zelf onze haren knippen. Ze doet het net als de kapper: je haar tussen twee vingers nemen en dan afknippen wat erbovenuit steekt. Verder heeft ze zo’n knippertje. Het werkt een beetje als de maaibalk bij de trekker: er gaan twee gepunte vlakken over elkaar heen als mijn moeder de poten van het knippertje bij elkaar knijpt.
 
Soms gaat het allemaal goed, maar het kan ook wel eens trekken en dat doet zeer. Mijn moeder maakt het apparaat dan even schoon en meestal gaat het dan wel weer. Je kunt het beste maar stil blijven zitten, dan is het het snelst voorbij. Bij Marinus is het vaak een heel gedoe: hij maakt zich dan kwaad en moet huilen. Mijn moeder zegt dan dat hij stil moet zitten, want dat ze anders in zijn oor knipt.
 
Vrouwen gaan niet naar de kapper. Tenminste niet in onze familie. Vrouwen horen lang haar te dragen volgens de Bijbel. Bij sommige kerken letten ze daar niet zo op, maar dat zijn dan ook heel lichte kerken, waar ze niet op hele noten zingen en de Bijbel in de nieuwe vertaling lezen. Voor mijn gevoel zijn dat halve heidenen. De dominee waarschuwt niet alleen voor de wereld, maar ook voor de godsdienst. 

We gaan elke zondag naar de kerk, meestal alleen in de ochtend. We hebben geen plekken gehuurd, dus we moeten wachten tot vijf minuten voor tijd het lampje op de preekstoel gaat branden. Eerst is dat een oranje lampje, later, na een verbouwing misschien, wordt dat een groen lampje. Dan zijn alle zitplaatsen vrij.
 
Vaak gaan we in de bank van Methorst zitten, omdat die bijna nooit komt. Mijn opa en oma (van vaders kant) hebben wel plekken gehuurd, in de linker rij, de achtste bank van voren. Alle banken hebben een letter. Opoe en opa zitten in de H-bank. Ik mag wel eens bij ze zitten. Ze hebben eigenlijk maar twee plekken, maar als iedereen een beetje inschikt, kan een klein jongetje er nog wel bij. 

Op een zondag zijn ze erg laat, het lampje brandt al. Ik ga met opa en oma mee, maar hun plekken zijn al bezet; er zitten twee vrouwen. Daar trekt mijn opa zich niets van aan. ‘Dames, dit zijn onze plaatsen,’ zegt hij. Ze zeggen dat het lampje al aan is. Opa herhaalt dat dit de plaatsen van mijn grootouders zijn en dan staan ze toch op.
 
Voordat de mannen gaan zitten in de kerk, doen ze staand een gebed. De vrouwen doen het zittend, met de handen in hun schoot. Tijdens ‘het grote gebed’ gaan ook wel mannen staan. Mijn vader doet dat niet. Ik heb wel eens gevraagd waarom die mannen gaan staan, maar ik heb er geen duidelijk antwoord op gekregen. Misschien zijn ze bang dat ze anders in slaap vallen.
 
Dat is mij ook wel overkomen. Als je laat bent, kun je niet altijd als gezin bij elkaar zitten. Meestal gaat Lientje met mijn moeder mee en ik met mijn vader. Maar soms zijn er ook geen twee plekken naast elkaar vrij. Een keer zet mijn vader mij naast iemand in de bank. Die heet ook Teunis Bunt, weet ik, maar we beschouwen hem niet als familie. Hij is alleen maar ergens in de verte familie. Zijn vrouw heet Wimke, wat ik een rare naam vind voor een vrouw. Mijn vader zit achter mij.
 
Tijdens het gebed sukkel ik in slaap. Misschien heb ik gedroomd, maar ineens schrik ik wakker. Mijn handen, die ik samengevouwen had, gaan uit elkaar en wapperen als ik met een schok wakker word. Ik moet mijn buurman behoorlijk aangestoten hebben. Meteen knijp ik mijn ogen weer dicht en ik voel me rood worden, want ik schaam mij. Mijn buurman doet alsof hij niks gemerkt heeft.

Als ik wat groter ben, neemt Jo Gerritsen mij mee. Hij heeft twee plekken gehuurd, maar zijn vrouw blijft meestal thuis. Het is gemakkelijk als je al kunt zitten voordat het lampje gaat branden en je niet hoeft te zoeken naar een vrije plek. Jo hoeft meestal niets te zeggen: hij kijkt mij aan, knipoogt, en dan loop ik met hem mee.
 
Ome Wout heeft een hele bank gehuurd, rechts vooraan. Wij zitten meestal links achteraan. ‘s Avonds gaan we bijna nooit naar de kerk. Mijn moeder leest dan voor uit de kinderbijbel. Ik zit dan naast haar, aan de tafel voor het keukenraam, dat uitkijkt op de put. Lientje zit bij haar op schoot.

We hebben een mooie kinderbijbel, van Van Wijk. Er staan platen in. De meeste zijn zwartwit, maar die van David en Jonathan is in kleur. Sommige plaatjes zijn een beetje eng, bijvoorbeeld die van de zondvloed. Het water stijgt en mensen proberen te ontsnappen, maar je weet dat ze allemaal zullen verdrinken. En, wat nog erger is, ze gaan ook nog naar de hel en die duurt eeuwig.
Illustratie uit de kinderbijbel van B.J. van Wijk


Eeuwig kun je je bijna niet voorstellen. Mijn moeder heeft het wel eens geprobeerd uit te leggen. Stel je voor dat je een berg hebt. Dat is al moeilijk voor te stellen. In het Loenense bos is er de zandheuvel. Zoiets moet het zijn, maar dan groter. En, gaat mijn moeder verder, dat er een vogeltje is dat elke dag een zandkorreltje van die berg weg zou nemen. Het zou heel lang duren, maar ooit zou die berg dan weg zijn.

Mij lijkt het dat die vogel na honderd dagen nog maar een klein kuiltje in die berg zou hebben en dat het dus wel duizend jaar of nog langer zou duren voor die berg weg is. En de eeuwigheid duurt dus nog langer. Een griezelig idee.
 
De meeste mensen komen in de hel, weet ik. Alleen niet als je bekeerd bent, maar dat zijn er niet zoveel, kom je in de hemel. Soms is er avondmaal. Omdat wij een beetje achter in de kerk zitten, kan ik niet goed zien wie er aan het avondmaal gaat. In de buurt waar wij zitten is dat alleen een vrouw die aan de andere kant van het gangpad zit. Ik weet niet hoe ze heet.
 
Verder natuurlijk de dominee en de ouderling, Van Straaten. Dat is de enige ouderling die we hebben, want een ouderling moet bekeerd zijn en daar zijn er dus niet veel van. Hoeveel mensen gaan er aan tafel? Een stuk of zes? Dat zal het wel zijn en de kerk is best groot. Maar de dominee heeft wel eens gezegd dat hij blij is dat de mensen niet massaal aan het avondmaal gaan, een toeloop als der wateren, of zoiets. Hij zegt dat er kerken zijn waar mensen wel heel gemakkelijk bekeerd worden. Die mensen worden eigenlijk voor de gek gehouden. Ze gaan met een ingebeelde hemel naar de hel. Gelukkig wordt in onze kerk verteld hoe het echt zit.
 
De dienst duurt altijd lang. Ik probeer wel eens te luisteren, maar eigenlijk is het allemaal te moeilijk. Ik tel de pijpen van het orgel, maar ik raak de tel steeds kwijt. Leuker is het om je voor te stellen dat de hele kerk kantelt, met de achterkant omhoog. Ik stel me voor hoe ik dan langs de banken naar beneden zou klimmen. Of hoe het zou zijn als je over het plafond zou moeten lopen of langs de ramen omhoog zou moeten klimmen.
 
De kerkdienst heeft altijd dezelfde volgorde. Eerst komt er een diaken binnen die vertelt wat we gaan zingen. Onder het zingen komt de dominee met de kerkenraad binnen. De dominee krijgt een hand en doet onder aan de preekstoel een gebed. De kerkenraad schuift in de ouderlingenbank en bidt ook staande. Dan gaat de dominee langzaam over de trap naar boven.
 
De diaken leest de wet voor en een Bijbelgedeelte en dan pas komt de dominee aan het woord. Hij doet zijn handen omhoog, als een soort groet of een zegening. Als mijn neefje Anton, een van de kinderen van Ome Wout, voor het eerst meegaat naar de kerk, heeft hij van tevoren op het hart gedrukt gekregen dat hij goed stil moet zitten. Anders gooit de dominee die zware bijbel naar je hoofd, is er gezegd. ‘De dominee ging bijna gooien', zal hij achteraf zeggen. ‘Hij deed de handen al omhoog.’
 
Dan is er een bijna eindeloos gebed. De dominee vraagt niet alleen wat aan God, maar hij vertelt vooral heel veel. Raar dat God die dingen al niet weet. Als het afgelopen is, wordt er gezongen en gecollecteerd. We hebben een dubbeltje en een kwartje meegekregen om in de zak te doen. Op de zak staat dan ook een D of een K.
 
Later wordt me duidelijk dat die letters staan voor Diaconie en Kerk en niet voor dubbeltjes en kwartjes. Eenmaal per maand is er een derde zak, met een C. Die kan niet voor de centen zijn, want in de derde zak doen we een gulden. Hij is van Collecte.
 
Dan begint de preek. We krijgen dan altijd een snoepje. Meestal een Mentos, maar ook wel eens een Rang, een pepermunt of een Fruittella. Het ligt er een beetje aan wie het eerst de rol te pakken heeft. Die geeft hem dan door in de rij. De rol komt vanzelf terug en dan pak je er een snoepje van. Ome Wout heeft vaak Italiano. Die hebben wij niet, maar ik vind die wel lekker. Hij zal die wel bij de mart in Den Bosch gehaald hebben.
 
Soms is er ook drop. Topdrop, met een grote T erop, of Autodrop. Daar doe je niet zo lang mee, want die drop is vrij zacht. De rand van het dropje ziet eruit als een autoband. Maar leuker is dat elk dropje in een papiertje zit met een interessant weetje erop. Dan heb je wat te lezen tijdens de dienst.
 
We hebben ook wel eens stophoest. Lekkere, bruine snoepjes, maar ze smelten wel snel in je mond. Ik probeer zo lang mogelijk met een snoepje te doen. Meestal krijgen we er drie tijdens de dienst.
 
Mijn oma van moeders kant gaat niet zo vaak naar de kerk. Soms vraagt ze of ze mag meerijden en dan halen we haar op. Blijkbaar dacht ze er op het laatste moment aan dat ze snoep moest meenemen, maar ze had geen rollen in huis. Als we in de kerk zitten, geeft ze een grote rol chocoladeflikken door. Die rol is erg groot en het is heel ongebruikelijk om zoiets door te geven. Maar het is wel lekker.

maandag 27 april 2026

Wegens vakantie gesloten

Illustratie gemaakt met behulp van AI


Omdat ik geniet van een korte vakantie, zal ik aan het begin van deze week geen recensies plaatsen. Ik probeer donderdag wel weer met een jeugdherinnering te komen en vrijdag met een bespreking van een stripalbum.  

Strips

Wat kun je de komende tijd verwachten? Wat de strips betreft: ik ga schrijven over het derde deel van de strip Ghostmoney. De eerste twee delen besprak ik samen en bij dit derde deel moest ik er duidelijk weer even in komen. Maar er zit wel vaart in. 

Verder het tweede deel van de historische strip De glazen kroon. Het eerste deel besprak ik hier. Dus als je nog even de voorgeschiedenis door wilt lezen, dan kan dat. 

En daarna volgt een bespreking van een album van Storm, De nacht van Angul, dat de scenarist geschreven heeft met veel knipogen naar de tekst van Hotel California van Eagles. Alleen dat al is erg leuk. Hij had best wat minder daarvan uit mogen leggen, maar zo is hij er wel zeker van dat alle verwijzingen opgemerkt worden. 

Verder ben ik net begonnen met het lezen van het elfde deel van de integrale uitgave van Baard en Kale. In het dossier wordt goed uitgelegd hoe de situatie van de striptijdschriften was aan het eind van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig. 


Romans


Wat de romans betreft: boven op de stapel ligt De wonderen van Jeroen Olyslaegers. Ik was indertijd al heel enthousiast over Wil en Wildevrouw, dus ik begon vol verwachting aan deze nieuwe roman. Ik ben niet teleurgesteld. 

De wonderen is een forse roman. Heel anders is Overgave op commando van Nadia de Vries. Bescheidener van omvang, maar wel een indrukwekkend boek. Het roept bij mij verschillende herinneringen op aan andere boeken, van Wij van Elvis Peeters tot Het smelt van Lize Spit. 

Daarna zal ik schrijven over De grote schoonmaak van Rob van Essen. Nog een kleine honderd bladzijden en ik heb het uit, maar het is, net als de vorige boeken van Van Essen, weer een geweldige roman. Raadselachtig, leest als een trein en een deel speelt zich af in Wageningen, Bennekom en Ede, de regio waarin ik mij dagelijks beweeg. 

Als ik het uit heb, ga ik De schoft (2023) van Marente de Moor lezen. Ik had van haar De Nederlandse maagd gelezen. Goed boek, dat ik aan het eind van het jaar opnam in de lijst met de beste boeken die ik in 2014 las. Maar het duurde tot 2025 voordat ik Foon las. Ook goed, en het greep mij meer dan De Nederlandse maagd. Dat jaar las ik zoveel goede boeken dat ik Foon niet opnam in de eindejaarslijst, omdat ik maar tien plekken vrij had, maar het is een topboek. 

Non-fictie

En dan is er nog de non-fictie. Ik heb nog drie biografieën op de stapel liggen. Eigenlijk nog meer, maar drie recente. Van Godfried Bomans, Jan Blokker en Michaël Zeeman. En ik lees nog steeds, met wat tussenpozen, in het boek van Piet Hagen over de koloniale oorlogen in Indonesië. Ik ben nu ergens tussen bladzijde 600 en 700. Het is zo dik, dat ik het maar niet meegenomen heb op mijn korte vakantie en ik kan er ook niet al te lang achter elkaar in lezen. Het is interessant genoeg, maar opwekkend is het allemaal niet. 

Dat heb je dus te verwachten. Ik probeer mijn schrijven niet al te veel achter te laten lopen op mijn lezen, maar mei wordt wel een drukke maand, door de examencorrectie. In ieder geval hou ik je op de hoogte van de stand van zaken.